Leesmateriaal voor Les 8

Leesmateriaal voor de Online-cursus Ontwikkel je Zelf-Gevoel

Les 8 – ‘Help! Ik voel mijn Zelf verdwijnen als het me niet lukt om jou gelukkig te maken!’

 

Goedkeuring, Angst, het Zwarte Gat en Bestaansloosheid

(Hoofdstuk 5, p. 48)

Wanneer een ouder of verzorger niet in staat is om zijn of haar kind te zien als een ‘echt’, autonoom bestaand mens, kan zo’n ouder het kind niet het fundament bieden waarop het een gezond Zelf-Gevoel kan opbouwen. Het kind ervaart het daaruit voortvloeiende gebrek aan Zelf-Gevoel op een diep, fundamenteel bewustzijnsniveau als een pijnlijke leegte.

Ik noem die leegte het Zwarte Gat. Die leegte wekt een gigantische kracht op die alle positieve effecten van een prestatie of een gedrag van het kind dat hem goedkeuring zou hebben opgeleverd, naar binnen zuigt, wat dan ervaren wordt als een Vals Zelf-Gevoel (ValsZG). Elke situatie die goed verloopt in het leven van zo iemand, en waarvoor hij of zij de expliciete goedkeuring van zijn ouders/verzorgers zou krijgen, wordt gebruikt om de leegte van dat Zwarte Gat te vullen in de hoop er zoiets als een balans in het systeem mee te bewerkstelligen. Maar tegelijkertijd gaat dit soort succesjes altijd gepaard met faalangst, omdat het succes niet zomaar als een succes wordt gezien, maar een middel om een ValsZG te bereiken.

Om een beter begrip te krijgen van de rest van het ontwikkelingsproces en van de invloed van de ongezonde motivaties die het gevolg zijn van dit soort (Vertekenend) Spiegelen, moeten we eens goed kijken naar hoe een kind het Zwarte Gat innerlijk ervaart, een ervaring die wij in deze Methode Bestaansloosheid noemen. Daarbij moeten we ons ook richten op de angst die het gevolg is van het ervaren van die leegte, de Angst voor Bestaansloosheid.

De ervaring van Bestaansloosheid

In deze Methode staat de term Bestaansloosheid voor een innerlijke, vaak onbewust gedefinieerde perceptie van het gevoel dat je wel leeft, maar niet bestaat voor anderen. Een gevoel alsof je iemand bent zonder stem en zonder gezicht, iemand die geen uniek individu is. Dit is het gevolg van de situatie dat je niet erkend bent als een onafhankelijk, potentieel autonoom mens. Iemand die voelt dat hij of zij niet wordt gezien of gehoord of iets betekent voor een ander, voelt zich onzichtbaar en leidt een ‘bestaan’ dat die naam niet verdient.

De ervaring van Bestaansloosheid is niet dat je eerst wel bestaat en daarna niet meer, omdat je fysiek dood bent. Wat Bestaansloosheid zo doodeng maakt, is de diepgevoelde ervaring je onzichtbaar te voelen ook al ben je fysiek aanwezig – aanwezig met je lichaam, maar niet opgemerkt door anderen en geen deel uitmakend van een groep. Het is alsof iemand authentieke geest zich niet kan of mag manifesteren in de groep waar hij of zij toe behoort.

Bestaansloosheid wordt niet als zodanig herkend door wie ermee te maken heeft; de ervaring manifesteert zich als een groeiend besef van op de een of andere manier ‘niet oké’ zijn. En omdat zo iemand niet ‘meetelt’, voelt dat alsof hij wordt afgewezen en geen toegang heeft tot de wereld van anderen.

Voor deze gecompliceerde toestand gebruiken we de term Bestaansloosheid, en niet ‘dood’ of ‘niet-bestaan’. Daar zijn twee redenen voor.

Ten eerste: elk kind groeit op in een omgeving waarin het ten minste een paar fundamentele lagen van het Zelf kan ontwikkelen, hoe weinig erkenning het ook krijgt. Je kunt zo’n kind beschouwen als ‘half levend’.

Ten tweede: Ongeacht hoe veel (of hoe weinig) besef van een Zelf een kind onbewust ook heeft weten te ontwikkelen, dat besef is er alleen zolang het kind de goede ‘vibes’ krijgt waarvan het (ongezonde, valse) Zelf-Gevoel afhankelijk is.

Het fysieke lichaam sterft maar één keer. Bestaansloosheid doet zich keer op keer voor. Als je het zo stelt, lijkt de dood minder erg. Het onbewuste gevoel van niet-bestaan wordt ervaren als panische angst. Zoals we zullen zien is de motivatie om de ervaring van Bestaansloosheid te vermijden zeer dwingend.

In het ideale geval voedt de relatie tussen een kind en zijn ouders of verzorgers het gevoel van dat kind dat het erkend wordt als een op zichzelf bestaand iemand. Dat gevoel draagt bij aan de ontwikkeling van een gezond Natuurlijk Zelf-Gevoel, en dat gevoel is het tegenovergestelde van Bestaansloosheid. Als een ouder het kind niet de boodschap geeft: ‘ik zie jou als een wezen dat onafhankelijk van mij, ongeacht wat je doet of niet doet’, dan creëert hij of zij daarmee een voorwaarde voor een verwrongen Zelf-Gevoel bij het kind.

Wat gebeurt er als er door anderen geen rekening wordt gehouden met de behoeftes en de aard van een kind (of van een mens in het algemeen)? Dan concludeert zo’n kind dat hij blijkbaar niet goed genoeg is, en die ervaring van genegeerd en over het hoofd gezien worden zorgt ervoor dat het kind zich een soort geest met een lichaam voelt: lijfelijk aanwezig maar in de ellendige situatie verkerend dat niemand hem ziet. Een vaag idee van ‘ik besta niet echt, ik heb niets in te brengen’ kan zich dan vastzetten in de geest van het kind, of later in de volwassene. Dit gevoel van onzekerheid, en ook de strategieën die het kind ontwikkelt om zich daarvan te bevrijden of om er compensatie voor te vinden, kunnen iemands hele leven aanwezig blijven en de kwaliteit van leven ernstig aantasten.

Ik herinner me dat ik in bepaalde groepen mensen verkeerde en probeerde contact te maken. Ik hield mezelf voor dat het normaal was dat ik niet werd gezien en dat niemand een praatje met me aanknoopte. Ik voelde me totaal onbelangrijk voor anderen, maar vanbinnen wist ik dat ik veel te bieden had. Ik wist niet hoe ik me bij een gesprek moest aansluiten of hoe ik in een groep het woord moest nemen. Ik was niet in contact met dat deel van je persoonlijkheid dat impulsen genereert en dat dit soort dingen vanzelf laat gaan als je erop vertrouwt. Als je geen Zelf-Gevoel hebt, kun je niet afgaan op je intuïtie, omdat je daar geen verbinding mee hebt.

Angst voor de Angst voor Bestaansloosheid

De angst om Bestaansloosheid te ervaren ontstaat al op heel jonge leeftijd, wordt steeds opnieuw opgeroepen en blijft levenslang aanwezig. Hij komt voort uit de omstandigheid door anderen niet gehoord en gezien te worden en niet te worden erkend als onafhankelijk en autonoom mens. Maar hoe reëel deze angst ook is, hij wordt nooit herkend of bevestigd. Wanneer een ouder zijn of haar kind behoorlijk verzorgt met eten en kleren, lijkt het dat hij of zij ook om dat kind geeft. Het is dan voor een buitenstaander niet echt zichtbaar, en voor het kind zelf ook onmogelijk te herkennen, dat zijn ouder hem of haar alleen maar duldt, en hem alleen maar dichterbij laat komen als hij zich gedraagt volgens de wensen van zijn ouder. Maar dat betekent niet dat de situatie daardoor minder waar is.

Ik herinner me een situatie waarbij ik als twaalfjarige een ongeluk had met mijn fiets. Ik was mijn evenwicht verloren en was met mijn ribbenkast op het stuur beland. Ik had pijn, maar ik herinner me geen woord van troost van mijn moeder. Op weg naar de dokter zond ze, non-verbaal, alleen maar de boodschap uit: ‘Hoe kun je me dit aandoen?’ Ik denk niet dat ze mij en mijn pijn echt ‘zag’.

Iemand die in die situatie is opgegroeid heeft ook als volwassene moeite om in zichzelf te geloven. Altijd is er het vage gevoel dat er iets op het spel staat: Bestaansloosheid. Deze onbewuste, maar steeds aanwezige Angst voor Bestaansloosheid is het levende bewijs voor de stoornissen in de relatie tussen ouder en kind. Het is moeilijk om dat later in het leven nog te kunnen herkennen, omdat die relatie dan niet meer dan een herinnering is.

De Angst voor Bestaansloosheid is de angst om voor anderen niet zichtbaar te zijn als een bestaand persoon, ondanks lijfelijke aanwezigheid. De nooit uitgesproken, onbewuste gedachte daarachter is ‘ik ben niet in staat om deel te nemen aan het leven, omdat niemand mij ziet of hoort’. Dit leidt natuurlijk tot een enorm minderwaardigheids-complex, en zo wordt Bestaansloosheid van een constante dreiging een constante realiteit. De angst zelf, en ook de pogingen om alles wat maar enigszins lijkt op een Zelf-Gevoel in stand te houden, wordt een dominante drijfveer in het leven.

Deze angst, die de bron vormt voor dwangmatig gedrag en verslaving later in het leven, kan zo ondraaglijk bedreigend en pijnlijk zijn dat mensen die ermee te maken hebben deze maar zelden tot hun actief bewustzijn toelaten. Vaak ervaren ze een mildere versie ervan, en beseffen ze niet wat hen nu werkelijk zo bang maakt!

Angst voor Bestaansloosheid vormt ook een belangrijke motivatie om ouderlijke goedkeuring – echt of virtueel – te krijgen en te behouden, die nodig is voor een ‘Goed-gevoel-over-jezelf-hebben’ (Goedgevoel).

De Angst voor Bestaansloosheid veroorzaakt in iemands psyche een enorme stimulans voor dwangmatig gedrag en verslavingen, die fungeren als wanhopige pogingen om die angst te vermijden. Stel je eens voor hoe het voor je zou zijn als de enige manier waarop je kunt ervaren dat je echt bestaat is als je je ‘goed voelt over jezelf’ (Goedgevoel).

De Angst voor Bestaansloosheid is daarom de bron voor veel andere angsten, bijvoorbeeld de angst om dat Goedgevoel, fungerend als een Vals Zelf-Gevoel, niet te kunnen bereiken. We kunnen kortom wel zeggen dat de Angst voor Bestaansloosheid vergelijkbaar is met – en misschien nog wel erger is dan – de angst voor de dood.

Bij mensen die in hun kindertijd niet alles kregen waaraan ze behoefte hadden, houdt de Angst voor Bestaansloosheid nooit op. Die angst houdt hen hun leven lang in een wurggreep. Het is een constante dreiging en een constante, zij het niet als zodanig herkende, realiteit.

De pogingen om Bestaansloosheid te vermijden worden – als een onstuitbare natuurkracht – een dominante maar ook totaal onbewuste drijfveer in het leven, en genereren een heel systeem van ongezonde, schadelijke psycho-emotionele gewoontes, aannames, behoeftes, wensen, dwangneuroses, verslavingen en motivaties. Dit systeem maakt ons tot slaaf totdat, en tenzij, we ons er bewust van worden.

Het Vals Zelf-Gevoel (ValsZG)                               (Hoofdstuk 2, p. 15)

Als zich geen Natuurlijk Zelf-Gevoel ontwikkelt, komt er iets anders voor in de plaats: een Vals Zelf-Gevoel dat als vervanging dient voor wat we missen. Maar het kan ook zijn dat het andersom gebeurt: Omdat zich al een systeem ontwikkelt in het opgroeiende kind, is er geen ruimte voor een Natuurlijk Zelf-Gevoel. Bij gebrek aan een gezond, dat wil zeggen Natuurlijk, Zelf-Gevoel vormt zich automatisch de basis voor wat later een dwangmatig streven naar op prestatie gebaseerde goedkeuring wordt, die de persoon een vluchtig gevoel van het ontbrekende Natuurlijk Zelf-Gevoel geeft.

Als iemand geen permanent gevoel van autonoom bestaan ontwikkelt, ontstaat er een innerlijk vacuüm dat tot een ondraaglijke paniek leidt. Onbewust bedenkt zo iemand dan verschillende ongezonde strategieën om positieve feedback te krijgen van zijn ouder/verzorger, en die kunnen zich uiten op fysiek, emotioneel, verbaal en non-verbaal gebied. Deze feedback wordt dan datgene wat het dichtst bij een gezonde affectie komt.

Deze ongezonde, onbewust zelf-opgelegde strategieën kunnen verschillende vereisten of voorwaarden zijn voor gedrag of handelen dat erkenning oplevert. Door te voldoen aan die vereisten of voorwaarden, voelen mensen zich goed over zichzelf, wat te vergelijken is met het krijgen van een soort bevestiging dat ze ‘bestaan’ als mens. Ik beschouw dit als een vervangende, valse manier om het Zelf te ervaren, en noem het daarom een Vals Zelf-Gevoel (ValsZG).

Het ValsZG vormt het centrum van een complexe verzameling psycho-emotionele drijfveren, doelen, gevoelens, behoeftes, wensen, gewoontes en gedragingen, die in hun totaliteit het Op Vals Zelf-Gevoel gericht Systeem (zie Hoofdstuk 8) genoemd wordt. Dit systeem bestuurt een belangrijk deel van iemands psyche en gedrag, en heeft een grote invloed op zijn of haar gezondheid, relaties, werk, omgeving, kinderen en partner – op het leven in zijn algemeenheid dus. Het veroorzaakt een groot en vaak onnodig leed bij degene die ermee te maken heeft, en ook bij diens directe omgeving.

Maar nu we in staat zijn deze omstandigheid te herkennen en te benoemen, kunnen we er gelukkig ook aan werken; en met de nodige vastberadenheid en moeite kunnen we ons er zelfs van genezen.